RE: definitie kwaliteit
"V.Wegener" <[email protected]>
| Newsgroups | gmane.org.olkk.dutch |
|---|---|
| Message-ID | <000e01c4011a$0a483ba0$6ff3610a@wegenerv> |
OLKK-bericht van: "V.Wegener" <[email protected]> Oeverloos discussiëren over het kauwgomonderwerp 'kwaliteit'! Ik vind onderstaand NRC-artikel wel toepasselijk (met dank aan de krant). "Regels en richtlijnen zijn voor mensen die een beetje dom zijn..." Doet me denken aan al die kwaliteitssystemen... Koren op de molen van Ad? Victor Wegener Bureaucratie werkt fraude in de hand NRC, 26-feb-04 Mathieu Weggeman In Nederland zitten op hoge posten betrekkelijk middelmatige figuren Bezie Nederland als een organisatie die gevoelig is voor fraude en de conclusie is onontkoombaar dat regelgeving moet worden uitgedund en vereenvoudigd, meent Mathieu Weggeman. De nieuwe bouwfraude, het gesjoemel van de Ahold-commissarissen, de leugenachtige praatjes van de UWV-top - het zijn geen incidenten meer, zei SP-fractieleider Jan Marijnissen in deze krant van 18 februari, het is een nieuw patroon. Hij vraagt zich af wat voor land dit is, en wat voor land we willen zijn. Daarover moet het kabinet zich uitspreken, vindt hij, en de Kamer moet daar binnenkort over debatteren. De twee vragen van Marijnissen worden ook vaak gesteld in organisaties en over het antwoord op die vragen is binnen die context inmiddels veel kennis opgedaan. Als we Nederland als een organisatie beschouwen - en daarvoor hoeft de werkelijkheid nauwelijks geweld te worden aangedaan - dan kan de organisatiekunde enkele interessante antwoorden en verklaringen geven. De eerste verklaring voor het ontstaan van de gesignaleerde fraudepraktijk is gelegen in de combinatie van twee feiten. Nederland heeft de afgelopen decennia, mede onder invloed van Brussel, een dramatische toename van de bureaucratie beleefd en tegelijkertijd is het opleidingsniveau van de bevolking sterk gestegen. Die twee dingen veroorzaken wrijving. Regels en richtlijnen zijn vooral geschikt voor routinetaken en voor mensen die een beetje dom zijn, in die zin dat ze moeite hebben hun eigen maatschappelijke verantwoordelijkheid in te zien. Onze kenniseconomie kent echter niet zo veel routinewerk meer, zeker niet in de top van onze organisaties. De steeds groter wordende groep landgenoten met een HBO- of academische opleiding voelt zich niet serieus genomen, als zij geconfronteerd wordt met een overmaat aan regels en richtlijnen. Bijvoorbeeld: waarom moet ik middenin de nacht in een buitenwijk wachten voor een rood licht en mag ik niet zelf beslissen of ik dat kruispunt veilig over kan steken? Hennep kweken mag niet, maar hennep verkopen mag wel. Vrolijke televisieprogramma's als `Ook dat nog', `Pieter Storms' en `De leugen regeert' danken hun bestaan aan die overdosis aan met elkaar op gespannen voet staande richtlijnen, voorschriften en prestatiecontracten. Omdat goed opgeleide mensen het nut en de samenhang van veel van die regels en procedures niet begrijpen en zij bovendien de indruk hebben dat het bestuur van Nederland hen niet vertrouwt, gaan ze de mazen in het net opzoeken en proberen ze de systemen op een slimme manier te foppen. Soms lopen ze daarbij tegen de lamp en dan staat het in de krant, maar vaak ook niet. Het is een soort sport geworden waarbij de beoefenaars in het geheel niet het idee hebben dat ze iets fout doen of een ander benadelen. De bestuurders denken er iets op gevonden te hebben. Ze dempen de gaten in hun systeem met weer een nieuw systeem, zoals het sans gène en met groot enthousiasme introduceren van kliklijnen waar de burger anoniem kan melden dat hij een ander verdenkt van fopgedrag. De motivatie om je te bekwamen in het foppen van de systemen, wordt verder bevorderd doordat de bestuurders in toenemende mate onpersoonlijke informatie- en communicatietechnologie (ict) inzetten om met de burgers te communiceren. Call centers, menu-gestuurde telefoonprogramma's en verwijzingen naar internetpagina's waarop antwoorden te vinden zijn op de meest gestelde vragen, zijn daarvan de duidelijkste voorbeelden. Mocht er nog enige reserve bestaan om met een regel of richtlijn aan de haal te gaan, dan verdwijnt die als sneeuw voor de zon als je ontdekt dat je niet eens met een echt bij de zaak betrokken mens in gesprek kunt komen. Tussen de bedenkers van de systemen en de burgers waarvoor ze bedoeld zijn, is onpersoonlijke technologie geschoven. Loyaliteit aan mensen die je van gezicht of stem kent en die een naam hebben, is goed denkbaar. Maar loyaliteit aan machines of aan niet ter zake kundige medewerkers die prefab-teksten voorlezen van een computerscherm, ligt niet voor de hand. Naast de categorie die van het foppen van regelsystemen een sport heeft gemaakt, zijn er nog de mensen die fouten maken en fraude begaan, omdat zij niet meer zo goed in hun vak zijn, terwijl niemand daar iets van zegt. Dat verschijnsel wordt intercollegiale flower power genoemd. Met name kenniswerkers - en tot die categorie behoort het overgrote deel van de werkende bevolking in ons land - blijken onderling heel goed te kunnen vaststellen wie van hen de beste is in een bepaald scherp gedefinieerd deel van het vakgebied, wie de één na beste is, enzovoort. Het aantal artsen, advocaten, accountants of organisatieadviseurs dat bij hun orde een klacht indient over de gevolgde werkwijze van een collega, is op de vingers van één hand te tellen. Voor elke vorm van afwijkend gedrag weet men onderling wel begrip op te brengen of een geruststellende verklaring te geven. Hetzelfde is usance onder politici van dezelfde partij, commissarissen en bestuurders. Het toedekken wordt in die kringen gezien als het bepalende kenmerk van het old boys network; van de mutual admiration society (,,Ik vind jou goed. Hoe vind je mij?''). Alleen als er zulke grove fouten zijn gemaakt dat die echt niet binnenskamers gehouden kunnen worden en de media ook nog de druk opvoeren, pas dan trekken de collega's hun handen terug en wordt een van hen opgeofferd. De intercollegiale flower power zorgt er dus voor dat nauwelijks van fouten geleerd kan worden, omdat de in vergadering bijeen zijnde zachte heelmeesters in negen van de tien gevallen ontkennen dat er sprake is van een fout. Bijgevolg treffen we in Nederland op hoge posten betrekkelijk veel middelmatige figuren aan. Pik je het niet langer en trek je aan de bel, weet dan waar je aan begint. Met klokkenluiders die de toedekkingscode doorbreken, loopt het doorgaans niet goed af. Je wordt geëxcommuniceerd, afgeschilderd als een verader, ontvangt niet zelden bedreigingen in de persoonlijke sfeer en je spaarcenten verdwijnen naar advocatenkantoren. Het maken van fouten, het bewust frauderen en het foppen van regelsystemen kan worden tegengegaan door het organiseren van een veel assertievere intercollegiale toetsing. Maar er is nog een mogelijkheid. De organisatiekundige Henry Mintzberg heeft in 1979 al kunnen vaststellen dat kenniswerkers niet of nauwelijks te besturen zijn door het opleggen van regels en procedures of door het inzetten van informatie- en communicatietechnologie. Ook ontdekte hij dat het op de taak gerichte energieniveau van de mensen een functie bleek te zijn van de mate waarin ze zich persoonlijk betrokken konden voelen bij de hogere doelen, de collectieve ambitie van de onderneming. De aanbeveling voor het verbeteren van het functioneren van de organisatie ligt dan voor de hand: ontbureaucratisering. Snoeien in regels, richtlijnen en procedures, en investeren in de participatieve ontwikkeling van een collectieve ambitie. Daaraan ligt de bevinding ten grondslag dat er - extreem gesteld - slechts twee elkaar uitsluitende manieren zijn om samenwerking tussen mensen te coördineren: óf via planning, control, óf op basis van een duidelijk omschreven, collectieve ambitie. In dat laatste geval werken mensen samen en doen ze de goede dingen, omdat ze met elkaar ongeveer hetzelfde willen bereiken. Deze aanbeveling kan bijkans één op één vertaald worden naar Nederland als organisatie. De implicatie is dan het sterk uitdunnen, vereenvoudigen en consistent maken van de regelgeving en het gelijktijdig starten van een maatschappelijk, ideologisch gedreven debat over de tweede vraag van Marijnissen: wat wil ons land betekenen voor zijn burgers en voor zijn omgeving? Als Nederland een kennisland wil zijn, maak dan duidelijk wat dat is, voor wie Nederland dat wil zijn, wat de raison d'être daarvan is en hoe we daardoor bijdragen aan een betere wereld. Naast het maatschappelijk verantwoord ondernemen van het bedrijfsleven moet het maatschappelijk verantwoord regeren van de overheid staan; naast People, Planet, Profit, kan staan Citizens, Society, Civilisation. Zolang die vraag niet is beantwoord, heeft het praten over waarden en normen geen enkele zin, omdat in dat geval het referentiekader voor die waarden en normen ontbreekt. Het probleem is de overgangsfase; de tijd waarin sturing op basis van planning , control wordt vervangen door zelfsturing op grond van collectieve ambitie, sociale verantwoordelijkheid en intercollegiale toetsing. Die fase kan tijdelijk tot chaos leiden. Maar het alternatief met nog meer camera's, nog meer toezichthoudende instituties en nog meer formulieren zal leiden tot nog meer fraude en gesjoemel of zal ons doen wegzinken in een initiatiefloze almaar voortgaande grijsheid. * Stuur reacties en nieuwe berichten naar: [email protected] * Afmelden op: [email protected] met tekst: unsubscribe OLKK-L * Archief, Links, Werk, Boeken en OLKK-info op http://www.olkk.nl